Interview met Geert Van Loo

Inspiratiebron Bruce LeeCHINESE BOXING CLUB 1987-2012

 

In 2012, het jaar van de draak, was het precies 30 jaar geleden dat onze lesgever Geert Van Loo zijn training in de krijgskunsten aanvatte. Geert is een ware taijiquan pionier in België. Hij richtte in 1987 onze club op die nu tot de oudste van het land behoort.

Ter gelegenheid van onze 25ste verjaardag hadden we heel wat vragen voor onze leraar. Aan de hand van dit exclusieve interview komt u niet alleen meer te weten over zijn persoonlijke achtergrond in de Chinese krijgskunsten, maar ook over de (r)evolutie van taijiquan.

Hoe begon het allemaal voor je?

Als kind van de jaren 1970 was ik gefascineerd door de TV-serie “Kung Fu” met David Carradine en de films met Bruce Lee.  De eerste film die ik ooit zag met hem in de cinema  was “Way of the Dragon”.  Die film heeft mijn interesse voor het Chinese “kung-fu” het meest aangewakkerd.

Ben je dan gestart met kung-fu?

Nee, op 11-jarige leeftijd ben ik begonnen met shotokan karate.  Dat was in 1982.  In die tijd was er in Oostende niet veel keuze wat vechtstijlen betreft.  Ofwel deed je judo zoals de meesten ofwel ging je naar het “gevaarlijkere” karate.  “Kung-Fu” was overal en nergens.  Mijn zoektocht ernaar leek wel een queste naar de heilige graal.  Maar het postermagazine “Kung-Fu Monthly” dat toen overal te koop was, lichtte al een tipje van de sluier op voor me.  De revelatie dat het echt bestond betekende heel wat voor mij en zou alles in versnelling zetten.  Ik was hongerig naar literatuur en begon er alles over te lezen wat ik kon vinden.  Op mijn zolder liggen er nog stapels oude vechtsportbladen en boeken uit diverse landen als stille getuigen, want in België liep men serieus achter op dat gebied.

Heeft al die lectuur je verder geholpen in je zoektocht?

Ja, maar vreemd genoeg heeft het weekblad “Libelle” een cruciale wending gegeven aan mijn zoektocht en niet de gespecialiseerde pers.  Tijdens het bladeren in mijn moeders tijdschrift stootte ik op een artikel over Chinese “gezondheidsgymnastiek”.  Er stonden foto’s bij van een model met een wijde pofbroek en een rode hoofdband om die allerlei rare posities innam.  Het artikel ging over taijiquan en er werd gezegd dat het afstamde van de Chinese krijgkunsten maar dat het vooral goed was voor lichaam en geest.  Onderaan het artikel stond er een referentie naar de Vereniging België-China in Brussel waar men adressen van leermeesters kon vragen.  Ik schreef hen een briefje om te vragen of ze niemand konden aanbevelen die “kung-fu” kende maar het antwoord was negatief.  Ik ontving wel een kort lijstje met adressen en telefoonnummers van taijiquan leraars in Vlaanderen.  Tot mijn grote verbazing stond er een adres bij in Oostende.

Was dat je eerste kennismaking met taijiquan?

Ja, Gilbert Osstyn was de opgegeven leraar in Oostende.  Maar toen ik met hem contact opnam bleek hij yogalessen te geven.  Taijiquan oefende hij maar een beetje op zichzelf voor hij de  yogales begon.  Toch was ik nieuwsgierig en ging eens kijken met mijn neef Peter.  Groot was onze verwondering dat we alleen in de zaal stonden met Gilbert.  Hij nodigde ons uit om mee te doen en zijn langzame bewegingen te volgen.  Ik was niet echt onder de indruk, maar het was iets “Chinees” en in afwachting dat ik “kung-fu” zou kunnen leren was ik als 13-jarige al tevreden.  Hij deed de gesimplificeerde Zheng Manqing (Cheng Manching) vorm die hij grotendeels uit diens boek had geleerd.  Een boek dat ik meteen ook wou en zo begon ik wat meer te weten te komen over taijiquan en het feit dat het ook een vechtkunst was.  Maar daar was toen in de praktijk nog niets van te merken.

Kon je iets leren bij je eerste leraar?

Die korte vorm kon ik na enkele weken al zelfstandig uitvoeren en veel meer wist hij eigenlijk niet over taijiquan.  Dat was ook het geval met de andere dungesprokkelde beoefenaars in die periode.  Niet dat het vandaag beter is.  Nu lopen er gewoon meer onbekwame en onwetende leraars rond.  Gilbert bedoelde het wel goed maar de kennis over taijiquan lag in die tijd niet zomaar voor het grijpen.  Ondanks dat algemene amateuristische niveau introduceerde hij me wel bij een volgens hem “echte” Chinese taijiquan meester in Gent nl. Liu Waisang.  Bij Liu Waisang volgde ik  in die beginperiode een zomerreeks in de Yang en Chen stijlen.  Ik moest dat idee van een “echte” meester wel even bijstellen toen ik daar aankwam.  Overwegend oude mensen met allerlei fysieke klachten en enkele zweverige types probeerden zijn bewegingen zonder veel succes na te bootsen.  Veel uitleg werd er niet gegeven en ook hier werd taijiquan opnieuw een teleurstelling voor mij.  Trouwens, onderzoek heeft aangetoond dat de Chen stijl niet tot de authentieke taijiquan traditie behoort.

Gaf je toen je taijiquan studie op?

Neen, die moest eigenlijk nog goed beginnen.  Ik bleef thuis alvast die korte vorm oefenen want ik had gelezen dat Bruce Lee als kind ook taijiquan had geleerd.  Dat motiveerde me toen wel.  Intussen zette ik mijn zoekacties naar een “kung-fu” leraar verder.  Ik schreef diverse mensen op het lijstje van de Vereniging België-China aan om te vragen of zij soms niemand kenden.  En jawel, ene mevrouw Cara Van Wersch uit Berchem die een Vlaamse actrice was (zou ik later leren) gaf me een referentie door.  Dan Vercammen, een pas afgestudeerde sinoloog, oefende soms samen met haar qigong maar hij had ook “kung-fu” gedaan.  Dus kroop ik weer in de pen en niet veel later kwam Dan eens bij ons thuis langs.  Ik was toen 14.

Hoe verliep die eerste kennismaking?

Door zijn brief wist ik al dat hij bai mei (witte wenkbrauwstijl) en andere nanquan (Zuidchinese) stijlen had geleerd bij Jie Kon Sieuw in Antwerpen.  Hij had een stapeltje boeken bij om me de diverse stijlen van wushu te tonen want dat was de officiële naam voor Chinese krijgskunsten i.p.v. “kung-fu”.  Hij demonstreerde enkele Zuidchinese vormen en ik was behoorlijk onder de indruk van de kracht die van die bewegingen uitging.  Ik herinner me dat hij aardig verrast was toen ik hem op mijn beurt mijn taijiquan toonde want hij leerde in die tijd ook taijiquan bij de Nederlander Ruud Westerkamp.  Die kende ik door zijn artikelenreeks over taijiquan in het vechtsportblad “Zendokan”.  Samen met Dan ben ik niet veel later eens naar een workshop van Westerkamp geweest.  Dat was de eerste keer dat ik effectief zag dat taijiquan ook kon gebruikt worden als vechtkunst.  We maakten toen afspraken om samen verder te oefenen en zo werd Dan Vercammen mijn leraar.  Voor hem was het ideaal om zijn kennis weer op te frissen na zijn universitaire studies en voor mij was dat het begin van een nieuwe ontdekkingstocht.  Hij leerde me toen gewapende en ongewapende vormen plus gevechtstoepassingen van bai mei (pak mei), li jia (lee gar) en cai li fo (choy lee fut).  De grondige introductie die hij me gaf van de Chinese filosofie vond ik ook heel belangrijk.  Helaas vertrok Dan bij de aanvang van het academiejaar 1985-1986 voor een jaar naar China.  Maar ik had al heel wat bijgeleerd en oefende keihard om daarop verder te kunnen bouwen wanneer hij terugkwam.

Trainde je dat jaar hoofdzakelijk alleen of ging je nog elders les volgen?

Dan had me voor zijn vertrek geïntroduceerd bij Peng Yulin, een Chinese student in Gent die meihuaquan (pruimenbloesemstijl) kende,  zodat ik daar eventueel wat kon bijleren.  Maar dat was niets voor mij.  Het had teveel “moderne wushu” flair (mengeling van Chinese acrobatie, gymnastiek en krijgskunst).  Na schooltijd bleef ik dus thuis op individuele basis taijiquan en nanquan trainen.  Daarnaast ging ik dat jaar ook op zondag met de trein naar Berchem om in de club van Jie Kon Sieuw verder bai mei te oefenen.

Hield je ook contact met Dan Vercammen?

We bleven dat jaar schriftelijk contact houden en hij schreef over zijn ervaringen met grote namen uit de wushu wereld waaronder Cai Longyun en Zhou Minde (Jingwu Associatie).  De volgende zomer bracht hij een eerste lading kennis mee uit China.  Hij leerde me onder meer de Beijing vorm (24 vorm) die ik op een paar uur tijd reeds kon.  Die gestandaardiseerde vorm heb ik nadien eigenlijk niet veel meer geoefend omdat ik meer interesse had in traditionele technieken.  Interessanter waren de basisbeginselen van xinyiliuhequan (de oudste vorm van xingyiquan) die hij me bijbracht, een stijl die hij als eerste Westerling had kunnen leren.  Ook sprak hij toen over ene Shen Hongxun die hij in Shanghai had leren kennen.  Shen was gespecialiseerd in qigong (ademhalingstraining) en taijiquan.  In 1987 kwam Shen naar België en verbleef aanvankelijk bij Dan Vercammen in Gent.  Ik was toen 16-17 jaar en ging nog bijna wekelijks oefenen met Dan en aangezien Shen er dan ook was, kreeg ik onofficieel privéles van hem in qigong en taijiquan.

Hoe heeft dat je taijiquan beïnvloed?

Ik leerde Yang taijiquan vanuit een traditioneler perspectief kennen.  Het trainen van de vorm was minder belangrijk dan het intensief oefenen van standen.  Het (zeer) lang aanhouden van de traditionele Yang houdingen deed me in het begin daveren op mijn benen maar het maakte mijn fundering in taijiquan sterker en sterker.  Een halfuur of langer in verschillende posities staan maakte toen een groot deel van mijn persoonlijke training uit.  Wat later werden de eerste groepscursussen met Shen Hongxun georganiseerd.  Korte tijd nadien liep de samenwerking tussen Dan en Shen echter spaak omdat Shen het niet kon laten om mensen psychologisch te manipuleren eenmaal zijn cursussen vanuit België waren gelanceerd.

Hoe bedoel je?

Shen had dan wel een goede kennis van qigong en taijiquan maar als vechtkunstenaar schatte ik hem niet zo hoog in.  Hij beweerde namelijk dat hij “lege kracht” had en mensen kon laten bewegen of uit evenwicht brengen zonder ze aan te raken.  Op mij hadden de “afstandstechnieken” die hij tijdens zijn eerste groepssessies toepaste geen invloed.  Maar ik zag toen mensen letterlijk naar zijn pijpen dansen omdat hij zogezegd “energie” uitstraalde en daar speelde Shen gretig op in.  Hij stond veel te graag in de belangstelling en dweperige mensen vormden een makkelijk publiek voor zijn (dure) cursussen.  Groepsmanipulatie is dan niet zo moeilijk.  De informele en bijzonder intensieve privésessies (waar ik wel iets aan heb gehad) leken plots veraf.  Mijn latere leraar Dan Docherty zou hem daarvoor in 1997 eens goed op zijn plaats zetten met de zogenaamde “Evian affaire” (zie artikel “The Water Margin”).  Dan Vercammen en Shen besloten om niet langer samen te werken.  Ik volgde Dan en vanaf toen trainden we steeds vaker Yang taijiquan.  Dan had Dong Yingjie als zijn voorbeeld genomen en we oefenden naast de traditionele lange vorm ook vaak standen, tui shou (handen duwen), gevechtstoepassingen en stoktechnieken.

En wanneer is jouw club ontstaan?

In de zomer van 1987 was mijn honger om tijdens de week ook met andere trainingspartners te kunnen oefenen zo groot dat ik in Oostende mijn taijiquan club oprichtte.  Ik was pas 17 toen ik lessen in Yang stijl taijiquan ben beginnen geven.  Maar ondanks die jonge leeftijd had ik al een behoorlijke kennis opgebouwd.  De club werd de “Oostendse Taijiquan Vereniging” gedoopt.  Later is dat gewijzigd naar “Chinese Boxing Club”.  De vereniging werd vrij snel bekend in Oostende en omstreken.  Zowel “De Stoeten Ostendenaere” (een reeds lang ter ziele gegaan stadstijdschrift) als “De Zeewacht”, een lokaal weekblad, kwamen me kort na de opstart interviewen.  Het is dankzij mijn eerste zeer gemotiveerde studenten dat ik plezier en voldoening vond in het lesgeven.  Sommigen werden zelfs goede vrienden.  Zonder hun fantastische inzet zou ik vandaag wellicht geen les geven.

Was er veel concurrentie van andere vechtsportclubs?

 

 

 

 

 

De judo- en karateclub die lang een monopoliepositie hadden in Oostende, waren in die tijd niet erg opgezet met de komst van onze taijiquan vereniging.  Maar er kwam nog meer concurrentie aan want taekwondo was in 1988 te zien als demonstratiesport op de Olympische Spelen in Seoul.  Een Koreaanse taekwondo leraar begon in die periode ook met een club.  Wij trainden toen in een oud lokaal van de leegstaande visserijschool “Paster Pype”.  Op de benedenverdieping was er een boksclub waar tevens aan savate (Frans boksen) werd gedaan.  Die mensen waren vrij nuchter en er was wederzijds respect tussen onze clubs.  Een plaatselijke “doe-het-zelf kung-fu” leraar was intussen ook met een club gestart in onze stad.  Hij was wel bijzonder lenig (handig  in het “Jean-Claude Van Damme tijdperk”), maar zijn “kung-fu”  had hij wat op zichzelf geleerd via boeken en videofilms.  Geen hoogstaand niveau dus om het eufemistisch uit te drukken!  Niettemin zorgde hij voor de meeste rivaliteit in die beginjaren en erg respectvol was hij niet.  Als respons op deze ontwikkelingen heb ik eind jaren 1980 de eerste “Avond der Krijgskunsten” georganiseerd in Oostende om het publiek kennis te laten maken met de nieuwe lokale clubs,  maar ook met het Indonesische pencak silat, kenpo, ju-jitsu, kendo, ninjutsu, enz…  Onze club zette taijiquan in de kijker en een kwarteeuw later zijn we nog steeds “alive and kicking”.

Bleef je toen zelf nog les volgen?

Ik bleef trainen met Dan Vercammen en niet veel later vervoegde zijn vriendin ons.  Samen hebben we toen heel hard geoefend om in september 1988 een demonstratie te geven ter promotie van het taoïstisch studiecentrum dat hij zou oprichten in Antwerpen.  Toen hij niet veel later cursussen begon te organiseren, begonnen onze informele trainingssessies te verwateren.  Intussen had ik in twee Britse tijdschriften over krijgskunsten (“Fighters” en “Fighting Arts”) interviews gelezen met een “gladiator” die mijn taijiquan een nieuwe wending zou geven.  En zo maakte ik in de zomer van 1988 in Londen kennis met Dan Docherty.

Wie is Dan Docherty?

De Schot Dan Docherty begon met karate in 1971 en kreeg zijn eerste dan toegewezen door sensei Nanbu in 1974.  Hij woonde en werkte van 1975 tot 1984 in Hongkong als inspecteur bij de Royal Hong Kong Police Force en werd door zijn martiale ingesteldheid en zijn kennis van het Kantonees de topleerling van grootmeester Cheng Tinhung (zie “De Wudang stijl van Cheng Tinhung (1930-2005)”.  Hij had zich eind jaren 1980 in Londen gevestigd om op professionele basis taijquan lessen te geven.  Mijn grootste motivatie om hem te ontmoeten was het feit dat hij taijiquan als krijgskunst beoefende en een complete taijiquan traditie wou doorgeven.  Toen ik hem voor het eerst ontmoette in Covent Garden nodigde hij me uit om deel te nemen aan de les.  Het publiek bestond niet uit zweverige types of bejaarde hippies maar uit atletische beoefenaars waarvan velen al een stevige achtergrond hadden in andere vechtkunsten.  Mede door het feit dat ik toch al enkele jaren ervaring had met taijiquan en andere Chinese krijgskunsten kon ik toen meteen zien dat Dan en zijn studenten op een behoorlijk hoog niveau stonden.  De stijl van Cheng Tinhung omvatte het ganse pakket : traditionele lange vorm, wapenvormen, handen duwen, gevechtstoepassingen en neigong (inwendige training).  Het “één stijl, alle facetten”-gegeven was iets dat ik nog niet had gezien bij taijiquan.  Dan Docherty was de vertegenwoordiger van Cheng Tinhung in het Westen en uiteraard stond ik al te trappelen om de stijl te doorgronden.

Bleef je toen trainen in Londen?

Helaas kon ik niet langer in Londen blijven na die eerste ontmoeting.  Maar ik nam me voor om verder te trainen in de Wudang stijl.  Dus keerde ik enkele maanden later nog eens terug voor een nadere kennismaking met Dan en zijn stijl.  Een paar studenten van Dan deelden een huis in een buitenwijk van Londen en Dan regelde het zodat ik voor een spotprijsje een kamer kon huren bij hen.  In de zomer van 1989 had ik de bedoeling om er 3 weken te blijven om intussen verder taijiquan te leren met Dan.  Uiteindelijk verbleef ik er bijna 2 maanden.  Ik had toen ook het geluk dat Dan Docherty in die tijd nog geen workshops gaf in het buitenland en dus hoofdzakelijk groepslessen gaf in Londen.  Ik kon praktisch dagelijks les volgen bij hem op diverse locaties in Londen.  Hij gaf toen tijdens de week avondlessen in blokken van 3 à 4u, er waren “lunchtime classes” en op zaterdag was er in Elephant & Castle les van 14u-16u en van 16u-18u.  Ik miste geen enkele les.  Voor sommige klassen zaten de zalen vol, voor andere waren er maar een paar studenten aanwezig.  Voor mij was het echt een gouden tijd wat trainingsmogelijkheden betreft.  Bovendien nodigde hij me ook uit als hij privélessen gaf zodat ik kon meetrainen.  Daarnaast leerde ik ook op privébasis neigong en andere facetten van taijiquan.  We spraken ook vaak over de taijiquan theorie.  Eten, slapen en taijiquan waren mijn leven.  Dan en zijn studenten noemden me “The Kid”.

Je hebt waarschijnlijk veel bijgeleerd die zomer?

Ja, de lange vorm van de Wudang stijl heb ik op een week tijd geleerd, maar ik had dan natuurlijk al een stevige basis.  De lange vorm van de Yang stijl die ik voordien had geleerd volgde namelijk een gelijkaardig patroon.  Daarnaast was het boek van Cheng Tinhung ook een prima handleiding en dat had ik vanzelfsprekend al heel grondig bestudeerd.  Het verhaal doet nu nog steeds de ronde dat er ooit iemand in slaagde om de vorm op één week tijd te leren.  Ik had ook de sabelvorm geleerd, een stuk van de zwaardvorm, heel veel gevechtstoepassingen, diverse methodes van tui shou (handen duwen), gespecialiseerde trainingsmethodes en de eerste neigong oefeningen.  Ik had genoeg materiaal om verder te oefenen thuis en stopte ook met het geven van lessen in de Yang stijl.  Vanaf 1989 schakelde ik in mijn club over op de Wudang stijl.  De daaropvolgende jaren ging ik nog vaak voor kortere periodes terug naar Londen om mijn training te vervolledigen.  De jetfoil zorgde toen voor een vlotte verbinding tussen Oostende en Londen.  Dan en zijn toenmalige vrouw waren altijd gastvrij.  In 1990 nodigde ik Dan voor het eerst uit om hier workshops te geven voor mijn studenten.  De Wudang stijl van Cheng Tinhung was in België beland en zou er door mijn inspanningen ook blijven.  Voor Dan Docherty was dat het begin van een internationale carrière als lesgever.

Taijiquan in competitievorm was vanaf eind jaren 1980 een feit.  Nam je zelf deel aan die eerste tornooien?

Het was mijn leraar Dan Docherty die in 1989 voor het eerst de British Open Tai Chi Championships organiseerde.  Dat was toen de eerste competitie puur voor taijiquan in Europa.  De wedstrijden tui shou (handen duwen) werden dat eerste jaar nog op een verhoogd platform uitgevochten.  Maar door de vele blessures werden de reglementen het jaar erop al aangepast.  Ikzelf heb tussen 1993 en 1996 deelgenomen aan verschillende tui shou en stijlcompetities.  Ik heb nog steeds mijn doos met gouden, zilveren en bronzen medailles.  Een kleine kerngroep onder mijn leerlingen hebben ook een heus palmares opgebouwd in de loop der jaren.  Helaas heb ik het competitie- gebeuren wat tui shou betreft zien evolueren naar een trek- en duwspelletje waar haantjesgedrag en brute spierkracht schering en inslag zijn.  De meeste deelnemers trainen puur op kracht en dat staat haaks op de theorie van weinig weerstand bieden die eigen is aan taijiquan.  Sommige mensen met een hoog technisch niveau in tui shou zoals mijn leerling Timothy Verhaeghe kunnen die theorie in tornooien ook in de praktijk omzetten.  Maar zoals hem zijn er helaas te weinig in het competitiewereldje.

Je stond wat taijiquan betreft al op een vrij hoog niveau begin jaren 1990.  Wou je nog andere vechtkunsten ontdekken?

Als tiener zag ik op BBC de documentairereeks “The Way of the Warrior”.  Dan Inosanto, Bruce Lee’s topleerling, trainingspartner en goede vriend sinds 1964 maakte daarin een grote indruk op me door zijn veelzijdigheid en bekwaamheid in de krijgskunsten.  Het bleef altijd in mijn gedachten hangen om ooit eens naar Amerika te gaan om hem te ontmoeten.  In 1995 ben ik effectief voor een maand naar de States geweest.  Ik was ook geabonneerd op Amerikaanse tijdschriften waaronder “Inside Kung-Fu” en “Black Belt”.  Zo bleef ik in de jaren 1980 en ’90 op de hoogte van het reilen en zeilen in de martial arts wereld want van internet was er geen sprake.

Vertel eens wat over je ervaringen in Amerika.

Dat was de periode dat de Ultimate Fighting Championship volop gepromoot werd.  Het begin ook van de MMA (mixed martial arts).  Zo las  ik over de opkomst van Royce Gracie en het Braziliaanse ju-jitsu waarmee hij hoge toppen scheerde in die kooigevechten.  Ik was nieuwsgierig en in een voorstadje van L.A. ontmoette ik Rorion Gracie, de oudere broer van Royce.  Ik heb een paar van zijn ju-jitsu lessen gevolgd.  Het Braziliaanse ju-jitsu toont in zekere mate gelijkenissen met sommige principes van taijiquan.  Er wordt ook getracht om met een minimale inspanning de kracht van een tegenstander af te leiden om hem dan te counteren.  Met dat verschil dat het Braziliaanse ju-jitsu zich vooral toespitst op het grondgevecht.  Het is zeer efficiënt in bepaalde omstandigheden maar taijiquan vind ik veel uitgebreider.  De filosofie erachter is complexer en heeft meer diepgang dan BJJ als je tenminste de moeite doet om het volledig te doorgronden.

Geen zin gehad om verder te doen met BJJ?

Niet echt.  Uiteindelijk is ju-jitsu via de Japanners bij de Brazilianen terecht gekomen en de Japanners hebben op hun beurt de mosterd bij de Chinezen gehaald.  Dus vond ik dat ik maar beter bij de Chinese bron kon blijven.  Bovendien had ik in mijn tienerjaren al veel gevochten met mijn oudere neef Peter die zwarte gordel judo was.  Dan testte ik mijn taijiquan op hem uit terwijl hij judotechnieken gebruikte.  Een mat hadden we niet en dus gingen we er keer op keer keihard tegenaan.  Pas als er iemand afklopte of “stop” zei lieten we elkaar los.  Mijn portie grondvechten had ik dus al gehad.  Het was een goede leerschool maar ik zag het niet zitten om me daarin te specialiseren.  Naast de efficiëntie als verdedigingskunst heeft taijiquan de grote troef dat het – mits correct en regelmatig oefenen – goed is voor je lichaam.  Het heeft de potentie om je sterker, soepeler en minder blessuregevoelig te maken, terwijl het tegelijk ook zeer rustgevend kan zijn.  Iets wat van de meeste krijgskunsten niet kan gezegd worden.  En een gezonde geest in een gezond lichaam is voor mij altijd prioritair geweest.  Dat ik door mijn taijiquan training ook nog eens rust vind in een wereld waar iedereen zichzelf voorbij loopt,  is mooi meegenomen.

Heb je Dan Inosanto ontmoet?

Ja, ik ging ook een paar weken meetrainen in de Inosanto Academy of Martial Arts en maakte er kennis met het Filipijnse kali, jeet kune do, silat en shootwrestling. Zowel Dan Inosanto als Yori(naga) Nakamura – één van zijn instructeurs – maakten zich als vechtkunstenaars groot door hun bescheidenheid en kunde.   In vergelijking met de opvallend commerciële Gracie Academy was dat voor mij een verademing.  Dan Inosanto was toen al 59 maar hij bewoog als iemand van half zijn leeftijd.  Yori Nakamura was subliem en hij behoort ongetwijfeld tot de beste vechtkunstenaars die ik ooit heb ontmoet.  Door zijn gevechtsvaardigheden op alle afstanden (inclusief wapens en grondvechten) oversteeg hij wat ik bij de Gracies had gezien, maar mijn interesse bleef bij de Chinese krijgskunsten.  Eind jaren 1990 volgde ik bij Dan Vercammen nog enkele cursussen in baguazhang (acht trigrammen handpalmtechnieken) die hij volgens de methode van Li Ziming (1903-1993) onderwees.  Zijn baguazhang kan taijiquan zeker evenaren.  Samen met xingyiquan (boksen van lichaam en bewustzijn) behoren taijiquan en baguazhang tot de zogenaamde neijia (innerlijke) stijlen van Chinese vechtkunst.

Je hebt duidelijk wat moeite gedaan om kennis te maken met andere vechtkunsten.  Bleef je uiteindelijk bij taijiquan?

Uiteraard.  Taijiquan was al jaren “mijn ding” en bovendien wist ik dat het werkte.  Als je je wil specialiseren in een bepaalde krijgskunst zoals ik heb gedaan, dan combineer je dat beter niet teveel met andere stijlen.  Het is beter om één vlijmscherp mes te hebben dan 100 botte.   Ik ben dagelijks al enkele uren bezig met taijiquan.  De tijd om andere krijgskunsten te beoefenen is er simpelweg niet.  Tegenover mensen die beweren dat ze “meester” zijn in verschillende vechtkunsten sta ik persoonlijk dus nogal sceptisch.

Heb je het al vaak in de praktijk moeten toepassen?

Een vermeden gevecht is een gewonnen gevecht.  Maar vanaf 1991 was ik als penitentiair beambte beroepshalve vaak getuige van agressie, conflicten, opstootjes, gevechten en afrekeningen binnen de  gevangenismuren.  En soms moest ik alleen of samen met collega’s tussenkomen.  Rollebollen op de grond zoals bij het Braziliaanse ju-jitsu was nooit een optie in dergelijke realistische situaties.  Erop slaan en schoppen evenmin want dan wordt er nog meer olie op het vuur gegooid.  Als je oog in oog staat met geweld kan je maar beter het hoofd koel houden en op een gepaste manier reageren.  De paar keren dat ik het nodig had werkte taijiquan perfect.

In de jaren 2000 ben je ook een paar keer naar Hongkong en China geweest.  Was je op zoek naar de roots van je stijl?

Ja, ik wou de Hong Kong Tai Chi Association bezoeken.  Dat is de organisatie die Cheng Tinhung destijds heeft opgericht, maar die wordt nu door anderen geleid.  Niettemin wou ik de “rooftop studio” waar Dan Docherty had getraind onder Cheng Tinhung eens zien.  Er gingen nog steeds lessen door.  De stijl was dezelfde maar het niveau was niet erg hoog.  Aan tui shou en gevechtstoepassingen werd geen aandacht besteed en de martiale intentie in de vormuitvoeringen was niet aanwezig.  Het was niet te vergelijken met wat ik van Dan had geleerd.  De school werd redelijk commercieel uitgebaat en dat ging duidelijk ten koste van de kwaliteit.  Dit werd me ook bevestigd door Tomoko, een Japanse vriendin, die daar taijiquan leerde.  Cheng Tinhung beleefde er zijn hoogdagen als taijiquan leraar in de jaren 1960-70 en was er al lang niet meer actief.  Dan Docherty was dus op het goede moment in Hongkong toen hij in 1975 bij Cheng in de leer ging.  Net zoals ik in 1988 op het juiste moment in Londen was om mijn training met de toen 34-jarige topatleet Dan te beginnen.

Is taijiquan ook in het straatbeeld van Hongkong aanwezig?

‘s Ochtends wordt het in de parken en op pleintjes beoefend door groepen oudere mensen.  In Hongkong is onze stijl sterk vertegenwoordigd in dat typische straatbeeld.  In 1976 wou de overheid in Hongkong taijiquan cursussen organiseren voor het grote publiek.  Men sprak Cheng Tinghung aan om daarvoor instructeurs op te leiden.  Dit soort van taijiquan beoefening voor de grote massa ging natuurlijk niet zo diep als de pure traditie die hij aan zijn echte leerlingen doorgaf.  Maar om oude mensen in beweging te krijgen was dat niveau meer dan voldoende.  Dit fenomeen wordt in het Chinese vasteland nu “taijicao” of “taiji gymnastiek” genoemd.  Ik maak daar zelf ook een onderscheid in.  Enerzijds geef ik de “real stuff” via de wekelijkse clubtrainingen, workshops en privésessies door aan mijn meer gemotiveerde leerlingen.  Anderzijds zijn er ook de laagdrempelige initiatiecursussen die ik i.s.m. sportdiensten en dienstencentra geef en waar vooral een ouder publiek op afkomt.

Keek je nog rond bij andere “kung-fu” stijlen?

Ja, want vooral in de jaren 1970 was de Britse kroonkolonie Hongkong de “place to be” voor Chinese krijgskunsten.  China had toen zijn poorten nog niet wijd opengezet voor het toerisme.   Uit pure nostalgie bezocht ik in Hongkong de qixing tanglang (7-sterren bidsprinkhaanstijl) studio van Lee Kamwing in Sham Shui Po.  Ik had vroeger af en toe iets gelezen over hem en kon zeker respect opbrengen toen ik hem ontmoette.  Hij bleek een echte traditionalist te zijn op het vlak van krijgskunsten.  Als kind had hij, net zoals ik, bai mei (witte wenkbrauwstijl) beoefend want zijn vader gaf er les in.  Bovendien had hij in het verleden ook Cheng Tinhung ontmoet en sprak positief over hem.  Dat schepte een band.  “Kung-Fu Corner” in Kowloon Park, waar op zondagnamiddag demo’s werden gegeven van diverse stijlen, was ook leuk om te zien.  Vooral wing chun was sterk vertegenwoordigd in Hongkong maar ik had geen zin om die overgecommercialiseerde scholen binnen te stappen.  Ik had het al eens van dichtbij gezien toen ik eind jaren 1980 in Londen verbleef.  Wing chun was er toen ook al omnipresent maar de scholen van Simon Lau, Victor Kan en Austin Goh konden me destijds absoluut niet in de verleiding brengen om van taijiquan af te wijken.  De recente hype rond die stijl door de biografische films over Yip Man vind ik dan ook lichtjes overdreven.

Heb je China anders ervaren dan Hongkong?

In Fuzhou bezocht ik het museum van de beroemde generaal Qi Jiguang (1528-1587) die de “Quanjing” (Canon over het Ongewapende Vechten) samenstelde, een zeer belangrijk werk in kringen van krijgskunst beoefenaars.  Ik ging ook langs bij de befaamde Jingwu Associatie in Shanghai waar ik één van Dan Vercammens vroegere leraars toevallig taijiquan les zag geven.  Ik was helemaal niet onder de indruk van Zhou Minde en ben weer naar buiten gewandeld.  Eén van zijn Chinese leerlingen zei me toen “Shanghairen bu xihuan da wushu ; tamen xihuan he kaffei” (“Shanghainezen houden er niet van om wushu te beoefenen; ze drinken liever koffie.”).  Die zin illustreerde inderdaad een teloorgegane martiale spirit wat op dat moment ook exact mijn gevoel was.  Een zelfde gevoel had ik bij mijn ontmoeting met Cheng Tinhung die ik samen met Dan Docherty bezocht in 2004.  Het was de eerste keer dat ik de leraar van Dan zag en de laatste keer dat Dan zijn leraar zag.  Het Wudang gebergte, waar ik ook met Dan ben geweest, was een prachtige ervaring wat natuur en tempels betreft.  Maar de commerciële geest waarde er ook al rond.  Tegenwoordig kunnen toeristen er zogezegd het “authentieke” taijiquan en andere taoïstisch geïnspireerde krijgskunsten gaan leren.  Behalve de omgeving is er niet veel authentieks aan als je het mij vraagt.  Wushu studenten worden er bijna manu militari gedrild.  De nadruk ligt op de massa en minder op het individu.  Als ik zou moeten herbeginnen zou ik niet willen ruilen met de manier waarop ik taijiquan heb geleerd.

Hoe evolueerde je verder in taijiquan?

Ik bleef altijd verder oefenen en lesgeven in combinatie met mijn job.  Sinds ik er als prille tiener mee begonnen ben, ben ik eigenlijk nooit gestopt met trainen en daar ben ik best fier op.  In 2002 bracht Roularta Books mijn boek over taijiquan uit.  Nu ben ik al enige tijd in loopbaanonderbreking en houd me professioneel met taijiquan bezig.  Chinese Boxing Club bestaat dit jaar 25 jaar en er zijn wekelijks lessen in Oostende, Brugge en Gent.  Ik ben niet direct van plan om te stoppen met lesgeven en blijf ook doorgaan met mijn dagelijkse trainingen.  Niet alleen voor mezelf maar ook om het goede voorbeeld te geven aan de volgende generaties.

Heb je veel goede leerlingen?

De leerlingen die hun eerste trainingsjaar volhouden en geïnteresseerd zijn in taijiquan als krijgskunst blijven vrij trouw naar de lessen komen.  Het algemene niveau in de club is redelijk goed maar verschilt natuurlijk van persoon tot persoon.  Sommigen zijn al jaren lid, anderen nog niet zo lang.  De ene persoon heeft meer talent dan de andere en diegenen die ook individueel thuis oefenen hebben uiteraard een grote lengte voorsprong op zij die dit nooit doen.  Voor sommigen is een wekelijkse trainingssessie voldoende als recreatie.  Anderen oefenen liever intensiever en komen 2 of 3 avonden per week trainen.  Diegenen die nog dieper willen graven volgen daarvoor extra workshops en/of privélessen.  De groepsgeest is vrij positief en iedereen weet dat hij of zij vorderingen kan maken maar dat het ook de nodige inzet vraagt.  Vaardigheid en expertise komen immers niet zonder oefening en de juiste begeleiding.

Hoe kan een leerling op de hoogste trainingsniveaus geraken?

Wie de groepslessen combineert met workshops, privélessen (voor een persoonlijke detailafwerking) én individuele thuistraining kan de beste resultaten behalen.  Vergeet daarbij ook niet dat een gezonde levensstijl d.w.z. letten op je voeding, voldoende rust nemen, niet roken, geen of matig alcoholverbruik, enz… even essentieel is als trainen.  Het aanbod is er maar het blijft uiteindelijk de student zelf die bepaalt of hij/zij al dan niet het recreatieve niveau wenst te overstijgen.  Het vergt vooral een grote tijdsinvestering en een flinke dosis zelfdiscipline om taijiquan op een hoog niveau te beoefenen, maar daar staan dan wel een uitstekende conditie – zowel fysiek als mentaal – en een zeer goede technische vaardigheid tegenover.  Het volgen van lessen op vaste tijdstippen en het opstellen van een persoonlijk trainingsschema zijn de eerste stappen om serieus aan de slag te gaan.  Wie slechts matig geïnteresseerd is,  zal meestal wel een excuus vinden om niet te oefenen.  Wie het echt wil kan in principe altijd de nodige tijd vrijmaken om intensiever te oefenen.  Je kan ‘s morgens bijvoorbeeld een halfuurtje vroeger opstaan of  ‘s avonds eens de pc of de tv vermijden.  Ruimte mag daarbij ook geen beletsel zijn want je kan al zeer intensief trainen op 2m².

Is de toekomst van het traditionele taijiquan gewaarborgd?

Het traditionele taijiquan en daarmee bedoel ik taijiquan in àl zijn facetten, kun je vergelijken met een oude ambacht.  Het dient zorgvuldig overgeleverd te worden van leermeester op leerling.  En daarvoor zijn er twee elementen nodig.  Enerzijds moeten er goede leraars zijn die zelf opgeleid zijn volgens de regels van de kunst en die daarnaast ook voldoende trainingservaring hebben.  Taijiquan is niet gebaat met lesgevers die het er “en passant” eventjes bijdoen.  En anderzijds moet een ervaren leraar ook jongere, gedreven leerlingen hebben die bereid zijn om te volharden in de training en die 100% gefocust kunnen blijven op taijiquan.  Als aan die voorwaarden niet meer voldaan kan worden is het authentieke taijiquan op langere termijn met uitsterven bedreigd.    Mijn leerlingen en ikzelf proberen onze traditionele taijiquan stijl alvast levend te houden.  Maar door de vergrijzing zal taijiquan of beter “taijicao” in de 21ste eeuw globaal blijven evolueren als een simpele gezondheidsgymnastiek voor oma’s en opa’s.  Het is zeer positief dat oudere mensen in beweging blijven, maar met zo’n éénzijdig grijs imago zal taijiquan natuurlijk geen jonge beoefenaars aantrekken.  Uit ervaring weet ik ook dat de senioren meestal zelf niet de fysieke mogelijkheden of de interesse hebben om taijiquan als volwaardige vechtkunst te beoefenen.  Ik hoop dus dat er in de toekomst voldoende jongere en goed geschoolde beoefenaars zullen zijn die de échte dynamiek van taijiquan weer op de voorgrond kunnen helpen plaatsen.

Welk advies kan je nog meegeven voor je eigen leerlingen en andere beoefenaars?

Lees de klassieke teksten die van taijiquan iets unieks maken.  Prof. dr. Dan Vercammen heeft daar een fantastische Nederlandstalige vertaling over uitgebracht en mijn andere leraar Dan Docherty heeft er een meer praktisch gericht boek over geschreven nl. “Decoding the Classics for the Modern Martial Artist”.  Als je dat begrijpt, zul je zelf kunnen oordelen of jij of je leraar goed bezig zijn.  Sommigen maken de fout om snel nieuwe zaken te willen bijleren en daarbij verwaarlozen ze de basisvaardigheden, terwijl anderen stagneren en nooit een niveau hoger geraken.  Er is een zeer groot verschil tussen iets kennen en iets ten gronde kunnen.  De verworvenheden van taijiquan liggen vooral in het repetitieve en daarvoor is een blijvende training in alle facetten – inclusief de basisvaardigheden – noodzakelijk.  Een luie ingesteldheid, lak hebben aan detailafwerking of een “been there, done that”-mentaliteit zijn geen pluspunten voor wie echte vorderingen wil maken.  Zelfs na 3 decennia trainen maak ik er nog steeds een punt van om de basistechnieken zoals b.v. de vierkante vorm te blijven oefenen.  Zonder een goed onderhouden fundering kan een schijnbaar hoog niveau immers als een kaartenhuisje ineen vallen.  Evenwicht en regelmaat vinden in je training is dus heel belangrijk.  Eén van mijn favoriete Bruce Lee quotes is hier zeker op zijn plaats om dit gesprek af te ronden : “I fear not the man who has practiced 10000 kicks once, but I fear the man who has practiced one kick 10000 times.”

[hr top]